Trainen van een jeugd team

Het trainen van de jeugd is een verantwoordelijkheid, die sommige op zich nemen. De NeVoBo heeft uitstekende cursussen voor hen die jeugdtrainer willen worden. Deze handleiding is een opfrisser voor hen, die al een jeugdtrainercursus hebben gevolgd en het is een aardige inleiding voor diegenen die (nog) geen cursus hebben gehad.

Tussen de regels door zijn er citaten, die te maken hebben met het onderwerp, te lezen van bekende trainers

Remko Kenter
Trainer van meisjes C1 en B1

Wat is trainen
De definitie van trainen is: “Trainen is het bewust, systematisch en regelmatig werken aan het verbeteren van de prestatie”.
Met prestatie wordt bedoeld het bereiken van een vastgesteld doel, zowel individueel als met het hele team.
Prestatie kan ook een negatieve klank krijgen, als bedoeld wordt: “winnen ten koste van alles en iedereen”. Deze wijze van presteren kan bij de jeugd nooit het doel zijn.

Trainen is het beïnvloeden van mensen en het beïnvloeden van vaardigheden.
(Toon Gebrands trainer Piet Zoomers/Dynamo Apeldoorn)



Van beginnersnivo tot en met topnivo
Een ontwikkeling van een speelster wordt over een aantal jaren uitgespreid met als doel een harmonieus trainingsproces tot stand te brengen. Bij volleybal duurt het groeiproces van beginner tot topspeelster zeker 10 a 15 jaar.
De leeftijd waarop het absolute topnivo gehaald wordt, ligt bij vrouwen op 21-25 jaar en bij mannen op 23-27 jaar.

De sportontwikkeling is globaal te verdelen in drie trainingsfase:
  1. De basistraining (7 jaar t/m 11 á 13 jaar)
  2. De opbouwtraining (14 jaar t/m 17 jaar)
  3. De prestatietraining (vanaf 17 jaar)
1. De basistraining
Kenmerken:
  • een veelzijdige, op volleybal gerichte basisvorming
  • toepassingen van gevarieerde trainingsmiddelen en methoden gericht op coördinatieve vaardigheden.
  • systematische introductie van de volleybaltechnische vaardigheden

Wanneer deze aspecten onvoldoende aandacht krijgen, ontstaan er manco’s in de ontwikkeling van het prestatievermogen.

Het technische gedeelte wordt bepaald door het aanleren van de basistechnieken, waarbij een goed evenwicht gevonden moet worden tussen veel herhalingen en afwisselingen van de oefenstof.
Met andere woorden: “veel gelijksoortige handelingen in een andere verpakking”.

De taktische vorming beperkt zich in eerste instantie tot een begrip van spelregels en basisprincipes van aanval en verdediging. Per jaar worden hier elementen aan toegevoegd. Het spelen op diverse plaatsen in het veld is van wezenlijk belang.

Het conditionele gedeelte bevat voornamelijk coördinatie, algemeen uithoudingsvermogen, algemene kracht, snelheid en lenigheid.
Specifieke conditie training heeft in deze leeftijdfase geen zin, omdat de fysieke voorwaarden ontbreken voor het aankunnen van zware belasting.

Belangrijk is ook de mentale vorming, vooral in de zin van het zelfstandig leren uitvoeren van opdrachten en oefeningen. Het leren omgaan met medespeelsters, scheidsrechters en tegenstanders behoort al in de basistraining te worden opgenomen.

2. Opbouwtraining
Kenmerken:
  • Ontwikkeling en uitbouw van de basistraining
  • Leren en beoefenen van alle volleybaltechnische vaardigheden
  • Oriëntatie op andere specifieke oefen-/spelvormen ter verbetering van conditionele en volleybaltechnische vaardigheden en taktisch inzicht
  • Het scheppen van voorwaarden om een goede overgang naar topvolleybal mogelijk maken
  • Toename van omvang en intensiteit van trainingen en wedstrijden

Het technische gedeelte wordt bepaald door het aanleren en het inslijpen van de basistechnieken eventueel onder verzwarende omstandigheden, waarbij een goed evenwicht gevonden moet worden tussen veel herhalingen en afwisselingen van de oefenstof.
Met andere woorden: “veel gelijksoortige handelingen in een andere verpakking”.

De taktische vorming wordt bepaald door het weten van je eigen plaats en die van een ander in het veld. Tevens moet het lezen van de tegenstander worden aangeleerd.

Het conditionele gedeelte bevat voornamelijk coördinatie, algemeen uithoudingsvermogen, algemene kracht, snelheid en lenigheid.

Belangrijk is ook de mentale vorming, vooral in de zin van het zelfstandig leren uitvoeren van opdrachten en oefeningen. Het leren omgaan met medespeelsters, scheidsrechters en tegenstanders.
Tevens het onder druk, bijvoorbeeld van de stand op het telbord, leren spelen.

3. Prestatietraining
Kenmerken:
  • Voortdurende, consequente ontwikkeling van prestatiebepalende factoren
  • Opvallende toename van trainingsbelasting
  • Regelmatige confrontatie met wedstrijden op hoog nivo
  • Vergaande, op de positie gerichte, individualisering en specialisatie in opzet en uitwerking van de training (zowel technisch als taktisch)

De prestatietraining blijven in het kader van deze handleiding “Trainen van een jeugdteam” verder buiten beschouwing.



Algemeen
Als een trainer er mee instemt een team gedurende een volleybalseizoen te gaan trainen, dient hij zichzelf de volgende vragen te stellen:
o Wat weet ik van kinderen in deze leeftijdsfase? Iedere leeftijdscategorie heeft specifieke kenmerken, die van belang zijn voor een training. Een jongens D-team vergt een andere aanpak dat een meisjes A-team. Ook de inhoud van de training dient aangepast te worden aan de leeftijd.
o Wat weet ik van volleybal, wat beheers ik zelf? Heb ik voldoende kennis van techniek en taktiek om trainen te kunnen geven? De basistechnieken moeten voorgedaan kunnen worden, en de aandachtspunten bij de technieken moeten bekend zijn. Het goed aanleren van de technieken is van groot belang.
o Wat weet ik van trainen geven? Training geven is meer dan een uurtje in de week volleyballen met kinderen. Je moet bijvoorbeeld een goede planning maken en alles kort en duidelijk kunnen uitleggen.

Een goede trainer beschikt over drie eigenschappen: met hart en ziel werken, het vak beheersen en persoonlijkheid uitstralen.
(George Kessler)


Daarnaast is er binnen elke afzonderlijke training een bepaalde structuur te onderscheiden, die een optimaal benutten van de trainingstijd garandeert.
o Hoe is de opbouw van een afzonderlijke training? Bereid elke training voor. Stel een doel en bepaal vervolgens de oefeningen (en niet andersom), die met toenemende moeilijkheid het gestelde doel ondersteunen.
o Ben ik voldoende gemotiveerd? Training geven dient enthousiast en met veel inzet te gebeuren. Tevens moet je ook accepteren dat de speelsters af en toe een lolletje maken en voor hun plezier volleyballen!
o Ben ik voldoende kritisch t.o.v. mijzelf en mijn functioneren? Na de training moet je voor jezelf de training evalueren, hebben de speelsters voldoende plezier gehad, hebben ze iets geleerd, hebben ze voldoende inspanning gehad, zijn de gestelde doelen gehaald, was de oefenstof juist, was ik voldoende positief en stimulerend, enz. Een kritische houding is daarbij een absolute voorwaarde.



Wat en hoe wordt er getraind?
De training is het meest wezenlijke en ieder geval het meest concrete aspect van de totale trainingsplanning.
Bij de uiteindelijke vormgeving van de training gaat het om:
  1. Vaststellen van de doelstelling
  2. Indeling van de training
1. Vaststellen van de doelstelling
Bij het voorbereiden van de training is het eerste wat je gaat doen het vaststellen van de doelstelling, wat wil ik bereiken. Enige voorbeelden zijn: het aanleren van een techniek, het verfijnen van een pass-beweging of het verbeteren van de aanvalsdekking.

Dit doel bereik je aan de hand van de beginsituatie van de speelsters of pas je aan naar aanleiding van een wedstrijd.
Om het nivo van een speelster te bepalen kijken we naar de volgende aspecten:
  -

-

-

-
-

Techniek In hoeverre beheerst de speelster de basistechnieken en eventuele bijzondere (nood) technieken Een basistechniek is bijvoorbeeld de bovenhandse techniek
Taktiek Weet een speelster haar plaats in het veld, en die van een ander. Weet ze of dat de spelverdeelster van de tegenpartij een voor- of een achterspeelster is. Weet ze op wie ze moet serveren.
Conditioneel Hoe is de basisconditie, de motoriek, hoe is haar coördinatie. Welke belasting is verantwoordelijk tijdens een training. Welke belasting is er voor wedstrijd nodig.
Inbreng In welke mate heeft de speelster invloed op het team Neemt een speelster het initiatief.
Motivatie Mentaliteit, aanwezigheid, gevoelens, interesses, (faal)angsten, en karakter spelen een rol in beoordeling van de motivatie van een speelster.

Bij jeugd train je de techniek van bewust naar onbewust, en taktiek van onbewust naar bewust.

Als je in kaart hebt gebracht wat het nivo van de speelsters in de trainingsgroep is, is het van belang dat er zo effectief mogelijk wordt getraind. Je moet ervoor zorgen dat alle speelsters in je groep het gewenste nivo halen. Het kan dus gebeuren dat je in verschillende groepen met verschillende nivo’s gaat werken.
Zorg dat je tijdens het trainen hulp krijgt, van bijvoorbeeld een extra trainster, want als je goed trainen wilt moet je zeker met z’n tweeën zijn.
Om bij elk kind het maximale leereffect te bereiken moet voor iedereen de training wel uitdagend blijven.
Naast de differentiatie zijn er meer factoren die bepalen of je het gewenste nivo haalt. Het betreft de trainer, hoe is hij? Kan hij het geen wat hij wil overbrengen ook duidelijk vertellen. Overschat hij zichzelf, wil hij alleen maar voor zichzelf scoren of denkt hij echt aan de jeugd. Dit zijn dus allemaal factoren die het nivo kunnen beïnvloeden.

Als trainer moet je ook rekening houden met:
  • Grootte en samenstelling van de groep
  • Nivo van de groep en individuele vaardigheden
  • Sfeer in de groep
  • Doelstelling
  • Materiaal
  • Sporthal of gymzaal
  • Aantal uren per week
  • Tijdstip en tijdsduur training

Aangezien je wilt bereiken dat de jeugd beter gaat volleyballen is het zeker van belang dat je voor iedere training een trainingsvoorbereiding maakt. Je kunt dit ook wel de trainingsopbouw noemen. In deze opbouw of voorbereiding besteed je aandacht aan een aantal facetten zoals: coördinatie, techniek, taktiek, is er voldoende beweging en is er voldoende afwisseling. Maar ook: is de training een goed lopend geheel?

Voor de training zelf is het dus van belang om:
  • Een doel (aksent) te hebben
  • De training juist in te delen
  • De juiste oefenstof vast te stellen
  • Indeling van de oefenstof (kleine stapje, weerstand, herhalingen en variatie)
  • De juiste aanbiedingsvorm te kiezen (Game-like, Coaching skill of wedstrijdvorm)

2. De indeling en opbouw van een training

De training bestaat uit een aantal onderdelen:
  1. Warming-up
  2. Coördinatie
  3. Kern
  4. Afsluiting
1. Warming-up
De warming-up dient hoofdzakelijk tot het bereiken van een optimale sfeer welke noodzakelijk is voor een training. In mindere mate heeft de warming-up bij de jeugd een fysiologisch aspect. Uit het opleidingsoogpunt is het belangrijk dat de warming-up met bal wordt uitgevoerd, want het heet volleybal en geen atletiek!
Of nog beter: In de atletiek is het lopen het doel, in het volleybal is het lopen een middel.

2. Coördinatie
Na de warming-up is het aan te raden dat het coördinatie gedeelte aan bod komt.
Bij coördinatie is er sprake van een samenspel van aanspannen en ontspannen van spieren. Het belangrijkste is echter dat wij tijdens het trainen van coördinatieve vaardigheden alle gegevens opslaan.
Hoe meer bewegingsindrukken kinderen opdoen, hoe gemakkelijker zij op latere leeftijd een link leggen naar deze bewegingen.

Als wij trainers tijdens trainingen bezig zijn met het aanleren van nieuwe technieken, dan moeten wij ons zelf afvragen: “hoe kunnen wij over het aanleren van een nieuwe techniek praten als een groot aantal volleybalsters problemen hebben met het inschatten van de balbaan.”
Het is daarom van het grootste belang dat op jeugdige leeftijd niet de techniek maar de omschreven problemen van de algemene bewegingsscholing zal moeten worden aangepakt. Hoe kan ik als trainer een speelster bovenhands of onderarms goed aanleren als de speelster niet instaat is een bal goed te kunnen gooien of vangen.
Tot 21 jaar kunnen we met coördinatie bezig zijn, daarna is er weinig te veranderen.

Bij coördinatie oefenvormen moet je met het volgende rekening houden:
  • Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat het trainen van coördinatievermogen d.m.v. allerlei oefenvormen voorafgaat door een goede warming-up.
  • Er moet vooruitgang gemaakt kunnen worden, d.w.z. dat de oefeningen van makkelijk naar moeilijk gaan.
  • De speelster moet optimaal geconcentreerd en gemotiveerd zijn, zij moeten niet vermoeid aan de oefenvormen beginnen.
  • De kans op succes moet aanwezig zijn.
  • Diverse oefeningen kunnen verschillende accenten hebben.
  • Oefenvormen met rollende en aangegooide ballen hebben als doel het inschatten van de balbaan, de coördinatie en links/rechts besef.
  • Oefenvormen met tweetallen hebben bovendien als doel het samenwerken te bevorderen.
  • Oefenvormen die dubbelzijdig moeten worden uitgevoerd, dus links en rechts, oefenen we het lichaamsbesef.

Coördinatie, spannen/ontspannen en behendigheid zouden een vast onderdeel van de warming-up moeten zijn.
(Leo Beenhakker)

Ten slotte, een ieder die jeugd traint tot de 21 jaar heeft de verplichting om de jeugd coördinatieve-vormen aan te bieden, dit om de jeugd bewegingsindrukken te laten opdoen die ze in de toekomst hard nodig hebben in het moderne volleybal. Dit hedendaagse volleybal vraagt steeds meer om flexibiliteit en noodaanpassingen (les noodtechnieken).

3. Kern
In dit gedeelte van de training wordt aandacht besteed aan het leren, oefenen en inslijpen van de basistechnieken en specifieke vaardigheden, evenals het leren, oefenen en inslijpen van taktische vormen.

De keuze van de volleybalinhouden en activiteiten in dit gedeelte van de training wordt bepaald door het gekozen aksent van de training. Wanneer het aksent gericht is op techniek, zal de kern één of meer fases uit het technische leerproces bevatten.
Zo is het gebruikelijk om binnen de kern een onderscheid te maken tussen:

A. Kern 1. Het aanlerend en/of oefenend gedeelte
  • Leren, ervaren en oefenen van grove technieken
  • Oefenen, ervaren en automatiseren van de verfijnde technieken
  • Leren en ervaren van taktische principes
  • Oefenen en automatiseren van taktische principes en situaties

B. Kern 2. Het toepassingsgedeelte (kan Game-like)
  • Technische en taktische aspecten
  • Conditionele en mentale aspecten

De kerndelen moeten altijd uitmonden in een vorm van speltoepassing die tevens als climax van de training beschouwd dient te worden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van eenvoudige spelvormen of kleine partijspelen, vereenvoudigd of aangepast partijspel of een volledig partijspel.

Je moet kunnen goochelen met oefeningen
(Rob Bianchi trainer AFC’34 tevens oud bondscoach hockey)


4. Afsluiting
De inhoud van de afsluiting moet aansluiten bij datgene wat in de kern is gebeurd qua intensiteit en beleving.
Tip: sluit goed en met beleving af, want anders wordt er met een lauw gevoel afgesloten.


Opmerkingen trainingsvoorbereiding
De organisatie, indeling en opbouw van de training bepalen voor een deel het welslagen van een training.
Een eenvoudige organisatie is vaak het beste, let op veiligheid en werk met meerdere groepjes.

Bij het training geven is het van belang dat er sprake is van en complete, duidelijke en korte uitleg.

Iedereen kan een training geven, maar een goede oefenmeester moet ook kunnen uitleggen waarom hij een oefening geeft.
(Simon Tahamata jeugdtrainer GB Antwerpen)


Daarbij is het zaak ook om de speelsters mee te laten denken, stel open vragen aan de groep, vraag waarom iets op een bepaalde manier moet. Laat ze denken!
Geef niet alleen uitleg, maar doe de beweging ook voor. Dus m.a.w. een trainer moet alle technieken voor kunnen doen. Maak je dus meester over de technieken.
De speelsters moeten ook de gelegenheid krijgen om de technieken zelf te oefenen.
Bij complexe oefeningen eerst de oefening laten “lopen” en pas aandacht gaan besteden aan het werkelijke trainingsaksent.
Samengevat: Praatje – Plaatje - Daadje


Het belangrijkste is het plezier van het volleyballen, laat de jeugd ook maar eens een training “verlachen”. D.w.z. laat je planning maar los en ga lekker doen wat graag ze willen.
Hoe vaak zie en hoor je niet dat de trainer een te groot stempel wil drukken op de groep en dat het plezier verdwijnt. Wij moeten als trainer nooit uit het oog verliezen dat de jeugd komt volleyballen omdat ze leuk en plezierig vinden!
De jeugd(groep) is belangrijk, niet de trainer.

Plezier wordt uiteindelijk presteren, presteren wordt uiteindelijk kwaliteit, kwaliteit geeft zelfvertrouwen.
(Henk Marienman Ass. Opleiding GB Antwerpen)


Om de training te vergemakkelijken of je te verzwaren kun je als trainer aan de volgende differentiaties denken:
  • Begin met de moeilijke technieken eerst vanuit stilstand, door het tempo te verhogen of juist te verlagen wordt de oefening zwaarder of lichter.
  • Begin de oefening eerst met rechtdoor spelen, dan pas onder een hoek spelen.
  • Begin de oefening eerst op een korte onderlinge afstand tussen de speelsters, vervolgens de afstand groter maken.
  • Begin eerst met lage weerstand, vervolgens de trainer zelf halve weerstand geven en dan volledige weerstand met een tegenstander.

Het uitgangspunt is dat in elke training een plan is te onderkennen. De trainer die het riskeert zonder planning te werken en met een houding van “ik zal wel zien” werkt doelloos en onverantwoord.
Daarbij is de evaluatie van wezenlijk belang i.v.m. de vaststelling van de vooruitgang.
Aan de andere kant moet er in iedere training altijd ruimte zijn voor initiatief, intuïtie, improvisatie en inspelen op feedback van het team.

Oefenstof is slechts een hulpmiddel, het mag nooit een doel op zichzelf worden.
(Erwin Koeman assistent-trainer PSV Eindhoven)


 
Praktische zaken rondom de training
     
1. De trainer let op het uiterlijk:
 

o
o
o
o

Goede sportkleding
Zaalschoenen
Geen kauwgom, chips of snoepgoed tijdens de training
Geen sieraden en horloges laten dragen
     
2. Het gedrag van de trainer:
 

o
o
o
o
o
o
o
o

Is actief, stimuleert, enthousiast en fantasierijk
Hij moet duidelijk praten, kort en niet te snel
Geeft duidelijk uitleg
Kan de beweging voordoen
Stelt zich positief op
Is “voelbaar” in de groep
Geeft het goede voorbeeld
Kinderen moeten zich veilig voelen
     
3. Verbeteren:
 

o

o
o

o
o

De trainer corrigeert positief, het doel hier van is de kinderen te helpen, niet om ze te kleineren of voor gek te zetten.
De trainer verwacht niet te snel resultaat, heb geduld.
De trainer geeft een goed, duidelijk en langzaam uitgevoerd voorbeeld, laat ook de kinderen het eens voordoen.
De trainer verbetert sociaal, leer ze eerlijk spelen.
De trainer verbetert ook mentaal, b.v. gedrag bij winst en verlies of bij concentratieverslapping
     
4. Persoonlijkheid
  o
o
Hartelijk, vriendelijk en met humor
Verantwoordelijkheid t.a.v. spelsfeer en fair-play
     
5. Organisatie:
  o
o
o
o
o
o
Veiligheid nastreven t.a.v. materiaal, oefensituaties
Overzicht blijven houden
Eenvoudige organisatie is meestal het beste
Geen ballen laten slingeren
Korte wachttijden in oefeningen
In groepjes laten werken
     
6. Instructies en correctie tijdens het oefenen
  o
o
o
o
o
Altijd duidelijk voordoen, in aangepast tempo
Vooral uitleggen “waarom”
Stel open vragen aan de speelsters
Iedereen mee laten doen
Benader de niet goede dingen positief
     
7. Tijdens de partijvormen
 

o
o
o
o
o
o

Spel leiden vraagt voortdurend om te spelen met de spelregels
Ingrijpen zodra de goede sfeer dreigt verloren te gaan
Groepen zelf laten kiezen, verantwoordelijk
Groepen wijzigen als het spelevenwicht is verstoord
Nooit zelf mee spelen!
Ook de zwakkere in het spel betrekken

Je mond houden is ook een onderdeel van het coachen
(Tjerk Bogstra Coach Davis Cup)



Evaluatie van de training
Na elke training kijk je als trainer wat er goed en niet goed ging. Een slechte training ligt meestal niet aan de speelsters maar vaker aan de keuze van de oefenstof.
Probeer er achter te komen waaraan het heeft gelegen, door kritisch te kijken naar de keuzes die jij hebt gemaakt als trainer. De keuzes t.a.v. leerdoelen, oefenstof, uitvoering en je eigenhouding.

Trainers overschatten hun eigen inbreng
(Fabio Capello voetbaltrainer Juventus)

Vraag eens aan de kinderen:
  o
o
o
o
Wat heb je geleerd?
Wat ging er goed?
Heb je plezier gehad?
Ben je moe geworden?
     
Verder evalueren en noteren:
  o
o
o
o
o
Wie was er wel, en wie niet
Wat hebben we gedaan
Hoe ging het
Welke speelsters vielen op
Aandachtpunten voor de volgende training
     
Een goede training wordt door de jeugd als volgt ervaren:
  o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
Ik moet alles kunnen verstaan
Ik snap waarmee ik bezig ben
De trainer wordt niet boos als het mis gaat
Ik mag meehelpen alles klaar te zetten
Ik hoef nooit lang te wachten
Ik mag gerust vragen stellen
Ik voel me prettig en veilig
Ik ben lekker moe na de training
Ik mag wel eens iets voordoen
De trainer luistert als ik iets vraag
De trainer is duidelijk en eerlijk
Ik vandaag weer veel geleerd
     
Elk kind dat tot z’n 12de geen trainer heeft gehad, is een bevoorrecht kind.
(Bert van Lingen KNVB-coach)



De vaardigheden van de jeugdtrainer

Als je jeugdtrainer moet je vaardigheden hebben om de volleybaltechnieken voor te kunnen doen. Als je deze niet onder de knie hebt ben je eigenlijk verplicht om je ze meester te maken.
Daarbij moet een jeugdtrainer zijn kennis op pijl houden. Hij moet kennis hebben van de (nieuwste) volleybaltechnieken en aanleermethodieken. Hij moet zich dus constant bij laten scholen.
De jeugdtrainer moet zich ook kunnen inleven in de diverse leeftijdsfases, de ene fase is de andere namelijk niet.
Een jeugdtrainer die een prestatiejeugdteam traint moet zeker raakvlakken hebben met het jeugdvolleybal.



Leeftijdskenmerken en trainingstips voor de leeftijdsgroepen E-Jeugd
Leeftijdskenmerken
Het kind heeft een grote drang naar bewegingen, maar de coördinatie is beperkt. Op deze leeftijd kan je de grove bewegingstechnieken al goed aanleren. Deze kinderen denken erg zwart/wit, en zijn zeer speels ingesteld. De E-jeugd is erg snel afgeleid en het concentratievermogen is erg kort. Ze zijn uit op succesbeleving, dus geef ze dat, daarbij zijn ze zeer op zichzelf gericht.

Trainingstips
Probeer er voor te zorgen dat ze veel balcontact en variaties krijgen en daarbij veel bewegen. Veel aandacht voor coördinatie en spelvormen, wees ook fantasierijk. Tijdens het vele samenspelen moet je belonen en complimenteren.

D-Jeugd
De D-Jeugd heet een gecontroleerde bewegingsdrang, het is de ideale leeftijd voor het beoefenen van coördinatievaardigheden. De grove techniek wordt nu beheerst, dus ontwikkelen maar! Het concentratievermogen is nog steeds kort te noemen. Succesbeleving is bij deze categorie meer op het team gericht, dan bij de E-Jeugd.

Trainingstips
Tijdens de trainingen aandacht besteden aan het verfijnen en uitbreiden van de techniek.
Laat ze veel bewegen en geen filevorming tijdens oefeningen, want er is een hoog leer tempo mogelijk. Probeer ze de spelregels eigen te maken.
Laat deze groep op verschillende plaatsen spelen, biedt ze wedstrijdjes en veel variatie aan.

C-Jeugd
Leeftijdskenmerken
Bij de C-Jeugd kan je eigenlijk niet spreken van lastige speelsters, maar van speelsters die een probleem met zichzelf hebben, of het moeilijk vinden om keuzes te maken. Niet zo vreemd, want ze moeten wennen aan de enorme verandering in hun leven, en dat maakt ze onzeker. Op de middelbare school wordt van hen verwacht dat ze de zaken zelfstandig aanpakken. De eigen vertrouwde omgeving wordt vaak ingeruild voor de stadse wereld van een veel te grote school. De puberteit dient zich aan en tevens de groeispurt.
Er is een toename van technisch en taktisch leervermogen, dus technische oefeningen in gevarieerde situaties.

Trainingstips
De C-Jeugd wil veel balcontact en variatie. Let wel op individuele verschillen in willen en kunnen. Tevens kan je uileggen per positie wat ze moeten doen.
Laat de jeugd meedenken, en vraag “waarom”. Geef ook duidelijke uitleg over “waarom”.

B-Jeugd
Leeftijdskenmerken
Stoornissen in motoriek (jongens), vermindering van het technische leervermogen. Er is een toename van het technisch en taktisch inzicht. Door het aandienen van de puberteit is er een wisseling mogelijk van stemming, inzet en betrokkenheid.

Trainingstips
Rekening houden met verschillen in belastbaarheid. Uitbreiding van de technische scholing, in een variërend leertempo.
In deze leeftijdsgroep kan je ook het taktische gedeelte gaan uitbreiden, denk aan teamtaktiek of taktiek per positie.

Als trainer moet je een jonge, talentvolle speler sterker maken en dat kan alleen door hem positief te benaderen.
(Walter Meeuws trainer Lierse SK)

A-Jeugd
Leeftijdskenmerken
Er is een hoge fysiek belasting mogelijk. Werk aan het verfijnen van de motoriek en daarbij het uitbreiden van d technische kwaliteiten. Op deze leeftijd komt er een natuurlijke keuze van de plaats en sociale rol in het team.
Maak vooraf duidelijke afspraken wat betreft doelstelling, spelconcept, posities en discipline. Wees eerlijk en consequent in het naleven ervan. Als coach is het belangrijk tijdens de training zelf beleving en enthousiasme uit te stralen. Wees scherp en laat niks aan het toeval over.

Trainingstips
Afstemming van de individuele technische kwaliteiten in het team.
Biedt complexe taktische vormen aan per persoon of per groep. Bereid voor op de overstap naar de seniorenteams.



Aandachtpunten bij het trainen geven
Eerst simpele dingen inslijpen, dan pas de volgende stap.
(Ariël Jacobs trainer RWDM Molenbeek)